Shop Mobile More Submit  Join Login
DE GELAARSDE HAAS by taisteng DE GELAARSDE HAAS by taisteng
Digital art based on my own stock
Verhalen uit het Duistere Geraniumwoud taisteng.deviantart.com/galler…

DOSSIER ST. PIETERS & BLOKLANDS GASTHUIS
VAN DE GEMEENTELIJKE SPOKENBESTRIJDINGSDIENST

1. DE GELAARSDE HAAS

Willem Koelewijn had bankdirecteur willen worden, net als zijn vader. Natuurlijk zou hij eerst als teller beginnen: lekker achter de balie de knisperende vijftig euro biljetten uittellen, met zo nu en dan een roofoverval om het spannend te houden.
Helaas ontsloegen de banken tegenwoordig driehonderd man voor elke nieuwe employee die ze aannamen.
Na zijn zevenendertigste sollicitatie klopte hij in arre moede bij zijn Spakenburgse oma Hentje aan. Oma Hentje kleedde zich in de traditionele dracht van een succesvolle palingvrouw: een kraplap omslag met kleurige bloemen, een gesteven kapje. Elke toerist die het waagde haar te fotograferen, kon echter op een ferme muilpeer en een stevige oorvijg rekenen en zijn smartphone belandde daarna met een plons in de haven.
‘Ik ben toch verdessimuh geen circusaapje?’ om met oma Hentje te spreken.
‘Tja, jongen,’ zei ze terwijl ze een scheut jenever over haar dorstige geraniums goot, ‘voor we bankiers en palingvissers werden, hadden we een stel andere beroepen: kiezentrekkers en waarzeggers. Met een tovenaar of heks hier en daar.’ Ze bekeek hem van top tot teen. ‘Je ene oog is groen en je andere bruin. Volgens mij heb jij ons andere talent ook. Mensen die er niets van snappen, noemen dat het boze oog, maar wij weten wel beter.’ Ze gaf hem een por en knipoogde met haar linkeroog dat inderdaad groen was, net als dat van Willem.
‘Ik kan best wel goed rekenen,’ protesteerde Willem, ‘maar ik heb nog nooit een spook gezien, oma. Of water in jenever veranderd.’
‘Je hebt het domweg nooit geprobeerd, jongen,’ zei zijn oma. ‘Ik ken nog iemand bij de gemeente. Hun spokenvanger gaat binnenkort met pensioen.’
‘Maar ik zei toch dat ik nog nooit een spook gezien heb! Hoe moet ik ze dan in hemelsnaam vangen?’
‘Daar gaan we vannacht iets aan doen.’ Ze goot Willems jeneverglas voor de derde keer vol. ‘Drink op. Daar word je een man van.’

Het was het betere kerkhof, dat moest Willem toegeven. Het lag aan de stadsgracht, bij de Boldershof. Scheve zerken en holle wilgen, een hemel vol zwierende vleermuizen. Een boot gleed over het duistere water, doodstil, gevolgd door een zwerm vleermuizen.
Willem deinsde terug. ‘Da-diss he schip naar de hel,’ fluisterde hij. ‘en de Dood staat self aan 't roer.’
Zijn grootmoeder grinnikte. ‘Welnee. Dat is de vleermuizentocht van de Waterlijn. En denk je echt dat de dood een zeemanspetje draagt? Dat is schipper Ab.’
‘Ik zie anders nohog nikss gespokerigs,’ zei Willem.
‘Hah!’ riep zijn oma. ‘Blinde mol! Zonde van de jenever. Je voerde je zat genoeg om roze olifanten te zien en dan lukt een geest niet eens?’
Ze zette haar handen aan haar mond en brulde: ‘Laat je zien, lui. Niet zo bescheiden!’
En ineens zwierden mistflarden met graaihanden en bleke gezichten om de zerken. Er klonk een iel gejammer in zijn oren.
‘En?’ vroeg zijn grootmoeder.
‘Ik kan het moeilijk ontkennen,’ zei Willem met een zucht.

En daar zat hij nu, drie dagen later, achter de groene deur met Gemeentelijke Spokenbestrijdingsdienst, vijf keer rechtsaf na de ingang en dan de trap omlaag. Om preciezer te zijn: naast Achmed die over de bisamratten in de dijken ging en aanzienlijk meer aanloop had dan Willem.

Een klop op de deur.
Op de drempel stond een rijzige man in een pak dat een stuk netter oogde dan Willems zeemanstrui.
‘Goedemiddag,’ zei de man, ‘ben ik hier bij de eh, spokenbestrijding?’
‘Dat klopt.’ Willem trok de la van zijn bureau open. ‘Glaasje jenever? Mijn ootjie zegt dat het helpt om spoken te zien.’
‘Straks misschien, maar laat ik mij eerst even voorstellen.’ Hij noemde zijn naam. ‘Ik ben de directeur van het St Pieter en Bloklands Gasthuis en wij hebben een probleem. Onverklaarbare geluiden middenin de nacht en niets te zien. Vroeger was het hoogstens eens per jaar, op twee april want toen werd het gasthuis gesticht. Maar intussen is het bijna elke nacht.’
Willem pakte zijn dossiermap. ‘Wat voor geluiden precies?’
‘Gestamp. Alsof iemand met zware soldatenlaarzen de trap op en af loopt. Een niet zo maar geloop maar boos gestamp.’
‘En er valt verder niets te zien?’
‘Een lege trap. Maar gelukkig geen modderige voetstappen.’
‘En nog iets anders te horen? Gejammer, griezelig geborrel?’
‘Nu je het zegt: een bewoner vertelde dat zij een stem hoorde. “Mien wortels,” zei die stem. “Ieck en wil mienen wortels!”‘
‘Ah, ah. Een mooi middeleeuws spooksel aan de tongval te horen.’ Willem stond op. ‘Het staat genoteerd. We zien elkaar vannacht. Om laten we zeggen, iets voor middernacht?’

Het kon bijna niet beter. Er balanceerde een machtige volle maan boven het gasthuis en een stel vleermuizen had blijkbaar besloten dat het hier spannender was dan achter de boot van de Waterlijn.
De directeur knikte naar de slapende nachtwaker.
‘Deze trap is het,’ fluisterde hij om de nachtwaker niet te wekken.
Het was een prachtige zwart stenen wenteltrap met een bloemenslinger langs de reling, zag Willem.
In de verte begon de klok van de Lieve Vrouwe te slaan.
‘Ik hoop dat hij het deze keer niet laat afweten,’ zei de directeur.
De twaalfde slag stierf weg en meteen begonnen de voetstappen. Ze snelden van de eerste verdieping naar omlaag, stoven vlak langs Willem in een vlaag ijzige lucht.
Prima, een echt spooksel. Een cirkel door de hal en daar schoten ze de trap weer op.
‘Dat gaat de hele nacht zo door,’ zuchtte de directeur. ‘Het stopt pas als de zon opkomt.’
Tien , twaalf keer bonsden de voetstappen de trap op en af, maar er viel niets te zien.
Willem viste zijn spookbril uit zijn jaszak en meteen werd alles duidelijk.
‘Krijg nou wat!’ zei Willem. Hij reikte de directeur zijn bril aan. ‘Misschien begrijp jij er meer van. Het is een Hans Klok bril, met ingestraald glas.’
‘Ingestraald?’ zei de directeur. ‘Hij is toch gewoon een goochelaar?’
Willem schudde zijn hoofd. ‘Welnee. Onze Hans is een redelijk goede tovenaar die net doet alsof hij een fantastische goochelaar is. Ik bedoel: het voltallige Urker mannenkoor door het Operagebouw laten zweven of een olifant doormidden zagen? Dat lukt je echt niet met wat spiegels en een inklapzaag.’
De directeur zette de bril op en floot.
‘Het is een haas. Een knots van een haas met soldatenlaarzen aan en hij rent achter een heel stel zwevende penen aan.’
‘Precies wat ik zag,’ knikte Willem en toen hoorde hij de stem van de haas ook: ‘Mien wortels. Ieck en wil miene wortels!’
De directeur hief zijn kin op: ‘Luister, haas. Nu is genoeg. Er zijn hier mensen die willen slapen. Hop, hop. Terug naar je hol!’
Het was Willem duidelijk dat de directeur het helemaal gehad had met die spookhaas.
De directeur liet de bril zakken en verstijfde.
‘Verdorie, nu zie ik hem ook al zonder bril!’
En dat was waar. De haas rende de trap op en af en hij was volkomen 3-D, even ondoorzichtig als de directeur en Willem zelf. En hij stampte elke rondgang iets luider tot het door het hele gebouw galmde.
‘Daar was ik al bang voor,’ zei Willem. ‘Spoken worden solieder zodra iemand ze ziet.’
‘Doe er wat aan! Dit loopt echt uit de hand. Kijk, hij laat bij elke stamp een vies modderspoor achter!’
‘Dat is maar spookmodder,’ suste Willem. ‘Die verdwijnt zodra de eerste haan kraait.’ Maar hij begreep zelf ook wel dat zoiets een schrale troost was: een beetje directeur staat op een brandschoon gebouw. ‘Goed, aan de slag! Uw gebouw is spookvrij in een wip.’

Dat in een wip viel lelijk tegen. Ze smeerden gestampte knoflook over de treden, trokken zespuntige tovercirkels met stoepkrijt uit de recreatieruimte. Ze lazen een psalm uit de Bijbel voor, de Latijnse, omdat de spookhaas waarschijnlijk al behoorlijk antiek was.
Het was natuurlijk jammer dat er zo weinig hazen in de bijbel stonden en dat gold ook voor de Thora en de Koran.
De haas stampte onaangedaan door en de trap leek wel een modderpad.

Pas bij het eerste ochtendlicht, loste de haas met een luide, enigszins pesterige plop op. De voetstappen gingen nog een seconde of drie door en stopten toen.
‘We hebben een expert nodig,’ besloot Willem. ‘Dit gaat de kunde van een eenvoudige spokenjager als ik te boven.’
‘Expert?’
‘Mijn ootjie. Ze heeft het nooit met zoveel woorden gezegd maar ik denk dat ze eigenlijk een heks is.’

‘De Gelaarsde Haas dus!’ Willems ootjie gierde het uit. ‘Daar moeten we een glaasje op heffen.’
‘Het is nog een beetje vroeg op de dag,’ zei de directeur, maar hij nam het glaasje toch maar aan. Een expert spreek je niet tegen.
Willems grootmoeder liep naar haar boekenkast en opende EEMLANDSCHE SPOOKSELS ENDE VERVLOECKINGHEN.
‘Lijkt mij een vervloeking,’ zei ze. ‘Die haas werd vast een vreselijk onrecht aangedaan, dat hij nu nog van woede loopt te stampen.’ Ze bladerde door het boek. ‘Haasch. Den Haasch met den Bloeherighe Dolk. De Dode Haasch dien Valsigliek Singhet op den Vierspronghe. Hebbes! Den Gelaarsde Haasch.’

Het was een treurig verhaal zoals Willems ooitjie het hen vertelde.
Toen molenaar Derksen op sterven lag, verdeelde hij zijn bezittingen: zijn dochter kreeg de molen ‘Want jij bent de enige die opstond met het kraaien van de haan en niet lui bleef doorronken zoals je broers.’ De oudste zoon kreeg de koe en het trekpaard, de tweede de geit, de kat en de waakhond. Voor de jongste, Dirk Derksen schoot er alleen de mottige haas in het hok bij de moestuin over, plus een stel modderige laarzen.
Nu kende Dirk zijn sprookjes. Hij liep naar het hok toe en zette zijn handen in zijn zij: ‘Ontken het maar niet. Jij bent een magische haas die kan praten. Maak mij rijk en beroemd.’
‘Wat zit er voor mij in?’ vroeg de haas.
‘Tien winterpenen,’ zei Dirk.
‘Maak dat honderd winterpenen en ik ben je haas.’
‘Het zij zo.’
‘Open mijn hok en geef mij je laarzen. Niemand luistert naar een pratende haas op blote voeten.’

Die haas, dat was mij er eentje!
Binnen een paar maanden was Dirk rijk en beroemd en toen Dirk de dochter van de burgemeester langs zag flaneren, likte de haas aan zijn ganzenveer en schreef hij een fantastisch minnedicht voor Dirk.
‘Uwe ogen sien gelyck saffieren,
Uwe lippen bloedkoraal
Hoe geeren zoude ick
min daarinnen verdrinkcken…’
En dat nog een regel of zestig verder, terwijl Dirk zijn eigen naam niet eens kon spellen.
‘En, baas, wat betreft mijn winterpenen?’
‘Na de bruiloft. Reken op mij!’

‘Je bent nu rijk en beroemd,’ zei de haas na de bruiloft, ‘en mensen noemen je niet langer Dirk maar jonker Derkszoon van Spackenburgh tot Woudrichem. Maar rijk en beroemd is niet genoeg. Alle werkelijk voorname burgers doen goed om hun plaatsje in de hemel veilig te stellen.’
Dirk keek een beetje zuinig. Net als alle gloednieuwe en eigenlijk onterechte rijken draaide hij elke stuiver vier keer om. ‘Is dat nu werkelijk nodig?’
‘Wil je soms naar de hel gaan straks?’
Dirk zuchtte. ‘Doe dan maar.’
‘Een vraagje. Waar blijven mijn winterpenen? Mijn honderd winterpenen.’
‘Binnenkort. Het is nu zomer, dus helaas… nog geen winterpenen.’ en daar moest de haas het maar mee doen.

De haas stelde hem voor aan Rutger van den Doem en daarna aan de Bisschop van Utrecht zelf. Rutger was van plan een gasthuis voor zieken op te richten. Als medeoprichter werd Dirk inderdaad een voorname burger en niemand zou hem ooit meer een klaplopende molenaarszoon noemen.
‘Dat was toch best wel goedkoop, toch?’ zei de haas. ‘Een zak thalers en die krijg je toch binnen per karrenvracht. A propos, mijn winterpenen?’
‘Ik heb ze besteld. Ze moeten helemaal uit Novgorod komen, want daar groeien de beste winterpenen. Penen zo groot als suikerbieten.’ Hij knikte. ‘Want alles het beste is goed genoeg voor mijn favoriete haas.’

Op twee april 1393 tekende de bisschop van Utrecht persoonlijk de stichtingsoorkonde, uiteraard met een feestmaal en rijkelijk begoten.
De bisschop hief zijn glas: ‘Dat was een genereus gebaar Dirk Dirkszoon. Niet veel rijke lieden hebben hart voor de minderbedeelden onder ons.’ Hij keek rond. ‘Waar is uw vriend de haas overigens gebleven?’
‘Hij is, eh…. helaas verhinderd.’
De andere oprichter, Rugter van den Doem, smakte zijn lippen, in die tijd een teken dat men een gerecht hogelijk waardeerde. ‘Heerlijk, vriend Dirk, die haas is wijnsaus. Zelden zo’n mals dierke geproefd.’

‘Dat is het wel ongeveer,’ zei Willems ooitjie .
‘Bedoel je dat Dirk….’ zei Willem ontzet.
‘Ik begrijp nu waarom die haas zo boos stampt,’ zei de directeur. ‘De vraag is wat we er aan gaan doen?”
‘Ligt dat niet voor de hand?’ zei Willems ooitjie. ‘U bent toch de opvolger van Dirk Dirkszoon? De hoogste tijd dat we zijn belofte aan de haas inwilligen.’

De klok was net aan de elfde slag toe toen de bestelwagen van Interveg met gierende remmen voor de poort van het gasthuis stopte.
‘Wat nu weer?’ zei de portier klaaglijk. ‘Ik dacht dat dit een lekker dommelbaantje was.’
De chauffeur reed zijn steekwagen binnen waarop de kratten met winterpenen hoog opgestapeld lagen.
‘Honderd winterpenen, meneer, regelrecht van Novgorod.’
‘Ik weet anders niks van winterpenen.’
‘Het is voor ons!’ riep Willem van de trap. ‘Kar maar door!’

Bij de twaalfde klokslag verscheen de haas met zijn zwevende penen. Hij keek blij verrast naar kisten met wortels.
‘Enderlick!’ kreet hij. ‘Mien wortelkens!’
De haas dook het eerste krat in. Er klonk een woest geknaag en geknabbel en een hartenklop later verdwenen zowel de kratten als de haas.
Willem wreef zich in de handen. ‘Dat is dan ook weer opgelost. Graag gedaan, meneer.’

Drie dagen later klopte de directeur opnieuw bij de Spokenbestrijdingsdienst aan.
‘Ik wil niet klagen,’ zei hij. ‘Geen spookhaas meer te zien en hij stampt ook niet meer. Alleen dat gekauw en gesmak de hele nacht… Je kunt het tot in de verste hoeken horen.’
‘Helaas gaan wij niet over geluidsoverlast,’ zei Willem. ‘Het enige dat ik kan aanraden, is een goed gesprek met de haas en de wijkagent. Of oordopjes voor alle bewoners. Er is daar een mooie subsidieregeling voor.’
No comments have been added yet.

Add a Comment:
 
×



Details

Submitted on
December 25, 2016
Image Size
5.5 MB
Resolution
2207×3122
Link
Thumb
Embed

Stats

Views
45
Favourites
0
Comments
0
Downloads
0

Camera Data

Make
NIKON
Model
COOLPIX P6000
Shutter Speed
10/667 second
Aperture
F/2.7
Focal Length
6 mm
ISO Speed
152
Date Taken
Oct 29, 2016, 1:40:23 PM
Software
Adobe Photoshop Elements 6.0 Windows
×